
Antoine Auguste Joseph Payen (Kunstenaar)
Drawing, 15 x 23 cm
1819
Tijdens de expeditie door de Preanger in 1819 werd regelmatig jacht gemaakt op allerlei dieren (vogels, vissen, zoogdieren en insecten), zowel voor wetenschappelijk onderzoek als ten behoeve van de voedselvoorziening van het reisgezelschap. Op 27 augustus 1819 schrijft Payen in zijn dagboek dat in de buurt van Ki Lurah een neushoorn is gedood, maar dat hij het verzoek van Reinwardt om het dier te gaan tekenen weigert, aangezien hij niets te maken wil hebben met het maken van natuurlijke studies of enige andere studie die niet direct in verband staat met het landschap (“qui n’a pas de rapport direct avec les paysages”). Op 29 augustus 1819 schrijft Payen dat hij te horen krijgt dat er een tweede neushoorn is gedood in de buurt van kampung Cisurupan. Op 2 september 1819 schrijft hij vervolgens dat het kadaver van deze neushoorn inmiddels zodanig was gaan rotten dat (de botanist, William) Kent, die ook deel uitmaakte van de expeditie er alleen het skelet van had kunnen meenemen. Payen vermeldt dat hij niet lang is gebleven, waarbij hij opmerkt dat de pasanggrahan een groot knekelhuis (“charnier”) is en dat de heren anatomen even erg stinken als het object waaraan zij werken (“puent autant que l’objet auquel ils travaillent”). (Zie: Marie-Odette Scalliet, Antoine Payen: Peintre des Indes Orientales, Leyde, Pays-Bas, 1995). Het is mogelijk dat Payen van deze gebeurtenis (het onderzoek door de anatomen van het skelet van de neushoorn) de hier besproken tekening heeft gemaakt. Links is een Javaanse ambtenaar te zien. Hij draagt een deels Europees uniform, met onder zijn hoed een hoofddoek en in de gordel een kris.
Materiaal : papier ; potlood
Wereldmuseum, Amsterdam: Inventarisnummer : RV-60-79e118
https://hdl.handle.net/20.500.11840/594561














